Een geleerde vroeg eens aan één van zijn studenten: "Hoe lang studeer je nu bij mij?"
De student zei: "drieëndertig jaar!"
De geleerde zei: "en wat heb je in deze periode geleerd?"
De student zei: "Ik heb acht dingen geleerd...!"
De geleerde zei verbaasd: "bijna mijn hele leven heb ik besteed aan het onderwijzen van jou en je hebt alleen acht dingen geleerd!"
De student zei: "o mijn leraar, ik heb niets anders geleerd en ik houd niet van om te liegen."
De geleerde zei: "laat mij dan horen wat je hebt."
De student zei:
"De eerste:
Ik keek naar de schepping. Iedereen heeft een geliefde. Wanneer
hij het graf in gaat, laat hij zijn geliefde achter. Daarom heb ik mijn
goede daden tot mijn geliefde gemaakt; op die manier zullen ze bij me
zijn in het graf.
De tweede:
Ik keek naar het vers 'Doch voor hem die vreesde voor zijn Heer
te staan, en die zijn ziel van begeerten onthield,' (79:40) en
worstelde daarom tegen mijn verlangens zodat ik Allah kon blijven
gehoorzamen.
De derde:
Ik zag dat als iemand iets waardevols bij zich heeft, hij het zal
beschermen. Toen dacht ik aan het vers 'Hetgeen gij hebt, zal
voorbijgaan maar hetgeen bij Allah is, is blijvend.' (16:96) Daarom
wijdde ik alles wat me iets waard was toe aan Hem zodat het bij Hem zou
zijn voor mij.
De vierde:
Ik zag de mensen zoeken naar rijkdom, eer en posities en het was
me niets waard. Toen dacht ik aan Allah's woorden 'Voorwaar, de meest
edele van jullie is bij Allah degene die het meest (Allah) vreest'
(49:13) dus deed ik mijn best om bewust te worden van Allah om edel te
zijn in Zijn ogen.
De vijfde:
Ik zag de mensen jaloers zijn op elkaar en ik keek naar het vers
'Wij zijn het, Die in het tegenwoordige leven middelen van bestaan
onder hen uitdelen,' (43:32) dus verliet ik jaloezie.
De zesde:
Ik zag de mensen vijandigheid hebben en ik dacht aan het vers
'Voorwaar, Satan is een vijand van u, behandelt hem daarom als vijand'
(35:6) dus verliet ik vijandigheid en nam de Satan als mijn enige
vijand.
De zevende:
Ik zag dat ze zichzelf verlaagden op zoek naar voorzieningen en
ik dacht aan het vers 'En er is geen schepsel dat op aarde kruipt, of
zijn voorziening berust bij Allah,' (11:6) dus hield ik mezelf bezig
met mijn verantwoordelijkheden tegenover Hem en ik liet mijn eigendom
bij Hem.
De achtste:
Ik zag dat ze vertrouwden op hun zaken, gebouwen en gezondheid en
ik dacht aan het vers 'En voor hem, die zijn vertrouwen in Allah stelt,
is Allah toereikend,' (65:3) en daarom plaats ik mijn vertrouwen alleen
in Allah."
De geleerde zei knikkend: "moge Allah jou zegenen, mijn zoon."
Laatste reacties